Zoals vaak levert een definitie meer vragen op dan
dat het beantwoord; regelamtig - systematisch - prikkel
en prestatie. De eerste twee zijn "redelijk"duidelijk
neem ik aan. Er moet regelmaat zijn en er moet een
systeem in zitten. Natuurlijk is een keer per week ook
een regelmaat en daar kan ook een systeem in zitten.
Maar met een keer per week trainen kun je geen Tour de
France winnen! We moeten dus een prikkel toedienen die
dan weer de prestatie verhoogd. Wat precies onder
prestatievermogen wordt verstaan zal afhankelijk zijn
van de tak van sport. Voor de een is dat gezonder worden
en voor een ander het winnen van een marathon of de Tour
de France. Bij fitness is dat meestal meer
spiermassa, meer spierkracht, minder vetmassa, of
fitter - gezonder en een mooiere fysiek. De prikkel
bestaat u
it
de training of beweging die je maakt. Maar de prikkel
van vandaag is niet de prikkel van morgen! Dat wil
zeggen dat je aan een prikkel kunt wennen en dan dus
geen prikkel meer is of niet meer/nauwelijks als
dusdanig wordt gezien door het lichaam. Je zult dus een
nieuwe prikkel toe moeten voegen.
De
Trainingsleer leert ons dat training ontleed kan worden
in verschillende deelaspecten. Deze kunnen makkelijk
onthouden kunnen worden met de FITT-regel:
-
de frequentie van de training (F)
-
de intensiteit (I) van de training
-
de tijdsduur (T) per training (of
trainingsonderdeel)
-
het type training (T)
Door
combinatie van de verschillende deelaspecten kunnen
diverse parameters berekend worden, bv. het wekelijkse
volume (door de tijd per training met de gemiddelde
snelheid te vermenigvuldigen).
De trainingsleer maakt gebruik van inzichten uit
verschillende wetenschappen, zoals de fysiologie,
anatomie, biochemie, endocrinologie, psychologie en de
diëtetiek. Een groot deel van de kennis over training
komt voort uit ervaringen vanuit de trainingspraktijk.