|
Lactaat,
melkzuur, heeft een slechte reputatie bij sporters omdat dit
meestal aanzien wordt als dè boosdoener als het op spierpijn bij
intensievere inspanning aankomt, als rechtstreekse oorzaak tot
het beperken van de prestatie ook. Atleten geven melkzuur de
schuld voor alle kwalen, maar spiervermoeidheid wordt
veroorzaakt door meerdere factoren, waarvan er vele nog niet of
slecht gekend zijn. Meestal hebben deze niets te maken met de
tijdelijke ophoping van lactaat; dat lactaatgehalte kan
misschien een indicatie zijn om de intensiteit van de inspanning
na te gaan, maar is zeker niet de enige verklaring voor
vermoeidheidsverschijnselen. Uit wetenschappelijk onderzoek is
trouwens al sinds meer dan tien jaar bekend dat lactaat geen
afvalstof is - nog zo’n misvatting - maar juist een belangrijke
factor bij energieproductie omdat het ook wordt omgezet in
glucose. Er bestaat niet één vorm van spieruitputting maar er
zijn diverse vormen. De spiervermoeidheid bij een sprinter over
200 meter is niet dezelfde als deze bij een marathonloper na
pakweg 40 km. Zo wordt soms zware vermoeidheid vastgesteld
terwijl het lactaatgehalte binnen het bloed toch vrij laag
blijft. Afhankelijk van de omstandigheden heb je soms toestanden
van zware vermoeidheid zonder verzuring en toestanden van lichte
vermoeidheid met verzuring.
Het is een misvatting om ervan uit te gaan dat atleten die
minder lactaat produceren beter zijn dan deze die meer
produceren. Productie van lactaat reflecteert de intensiteit van
de inspanning en het is dus een pluspunt als een sporter zo hoog
mogelijk kan “verzuren”. Zo is bevonden dat het bloedlactaat
(dat ongeveer 1 millimol per liter bedraagt in rust – 1 mmol/l)
oploopt tot 18 mmol/l na 1km met stilstaande start bij een
middelmatig pisterenner en tot 23 mmol/l bij de absolute toppers
in die discipline !
PRAKTISCH Er is nog een
misverstand dat al sinds decennia standhoudt, namelijk dat men
een wedstrijd moet starten met een zo laag mogelijke
lactaatspiegel. Onderzoek heeft duidelijk naar voor gebracht dat
het veel beter is via een intensieve inspanning op te warmen
zodanig dat al een stijging van het lactaatgehalte in het bloed
heeft plaatsgevonden. Toppers die een tijdrit moeten afwerken en
veldrijders stellen daarom terecht dat men bij de start reeds
heel goed in het zweet moet zitten.
EEN BEETJE UITLEG
ATP (adenosinetrifosfaat) is de stof die na afbraak de nodige
energie levert voor alle lichamelijke processen – vooral voor de
spierwerking. Maar ATP is beperkt aanwezig en moet daarom
permanent weer worden aangemaakt. Eén van de manieren waarop dat
gebeurt is via het afbreken van glucose; glucose wordt daarbij
omgezet in pyruvaat als tussenproduct. Dit proces heet glycolyse
en hierbij is geen zuurstof (vanuit de longen) nodig – waardoor
er sprake is van anaërobe energielevering. Maar als pyruvaat
zonder hulp van zuurstof afgebroken wordt is er vorming van
lactaat.
De zuurtegraad (pH) binnen een cel wordt bepaald
door de concentratie aan waterstofionen (H+); hoe hoger die
concentratie hoe hoger de zuurtegraad. Verzuring ontstaat als er
meer waterstofionen in de spiercel vrijkomen dan dat er uit
verdwijnen. Zowel bij de afbraak van ATP als bij de glycolyse
komen waterstofionen vrij en deze worden ook deels opnieuw
gebruikt voor aërobe energievoorziening (met zuurstof dus).
Bovendien is voor de anaërobe afbraak van pyruvaat eveneens een
waterstofion nodig. In rust en bij matige inspanning houden deze
processen van productie en verbruik elkaar in evenwicht. Bij
intensieve inspanning kan aërobe energievoorziening alleen
echter niet volgen en moet de glycolyse (anaërobe
energielevering) mee op volle toeren draaien. Er ontstaat dus
veel pyruvaat en er komen bijgevolg ook veel waterstofionen vrij
die zich opstapelen in de spiercel. Het metabolisme kan dit -
deze verzuring - in zekere mate tegenhouden via diverse buffers
die waterstofionen neutraliseren MAAR hier speelt ook lactaat
een belangrijke rol. Vorming van lactaat uit pyruvaat kost
immers waterstofionen en daarbij gaan, samen met lactaat uit de
spiercel naar de bloedbaan, ook nog eens waterstofionen mee. Dus
lactaat neutraliseert in belangrijke mate waterstofionen. Daarom
stellen moderne fysiologen dat lactaat geen verzuring
veroorzaakt maar integendeel het verzuringproces afremt. Dat is
natuurlijk in tegenspraak met alle vroegere theorieën en ook nu
nog hebben diverse insiders een verkeerd en voorbijgestreefd
idee omtrent de rol van melkzuur. Maar : uiteindelijk is en
blijft het wel correct dat bij hoge verzuring ook veel lactaat
aanwezig is.
CONCRETER Vanuit biochemisch
standpunt bekeken bestaat er dus geen verband tussen
lactaatproductie en verzuring binnen de spiercel. Maar
onrechtstreeks wel ! Bij zware inspanningen moeten er veel
waterstofionen gebufferd worden en zal er dus ook veel lactaat
zijn. Deze moderne visie heeft echter als gevolg dat
onderzoekspraktijken en interpretaties van lactaatmetingen op
een andere manier gaan bekeken worden. Tegen hoge lactaatwaarden
wordt anders aangekeken dan pakweg een aantal jaren terug.
Ook de theorieën omtrent de overslagpols, de “anaërobe drempel”
worden vandaag in vraag gesteld. Vooreerst is er al stijging van
de lactaatspiegel vanaf het moment dat de spier begint te
werken. Bij een progressieve toename van de
inspanningsintensiteit zal het lactaat toenemen, zodanig dat men
zelfs een mooie stijgende curve kan tekenen die dat
visualiseert. Maar omzeggens alle fysiologen stellen nu dat de
fameuze “knik” in die curve, die op een bepaald moment bij hoge
inspanningsintensiteit duidelijk merkbaar zou moeten zijn, niet
echt bestaat. Die “knik” betekent – nog altijd volgens diverse
trainers – precies het punt waar volop wordt overgegaan naar
anaërobe energielevering en zou dus moeten overeenstemmen met de
anaërobe drempel. Deze drempelwaarde verliest aan interesse, al
is het dank zij de bepaling ervan dat nog heel wat labo’s geld
binnenrijven ! Dat neemt niet weg dat de concentratie aan
lactaat belangrijk is. Men kan er zich van bedienen om er de
evolutie van de trainingstoestand mee in te schatten. De
concentratie aan lactaat moet afnemen bij een bepaalde
inspanningsintensiteit; zo kan je permanent gaan vergelijken
welke concentratie bijvoorbeeld overeenstemt met een inspanning
bij een hartfrequentie van 150 en dat geeft een goed beeld
omtrent de efficiëntie van de trainingen.
Maar moderne
fysiologen stellen dat dit allemaal niets te maken heeft met de
“anaërobe drempel”. Trouwens : de intensiteit waarmee men kan
sporten neemt af naargelang men langer bezig is. Ruw gesteld kan
een inspanning op 100% van het VO²Max zowat 7 minuten worden
volgehouden – op 90% is dat ongeveer een half
uur en op 80% loopt dat tot ruim tweeëneenhalf uur. Hoe staat
het dan met die drempel na 50 km wedstrijd – na 100 km – na 150
km ? Om hun bewering dat de “anaërobe drempel” die in het labo
wordt vastgesteld, geen goede uitgangsbasis is kracht bij te
zetten, halen bepaalde fysiologen o.m. het voorbeeld aan van
topwielrenners bij een tijdrit. De renners rijden daar meestal
gedurende langere tijd boven hun theoretische overslag – wat dus
niet mogelijk zou zijn volgens de gangbare regels. Aan de
universiteit van San Diego werd een test uitgevoerd met 13
eliterenners (vrouwelijke). Op eenzelfde parcours reden zij
gedurende 20 km afzonderlijk precies op of net onder hun
overslagpols met lactaatwaarden rond de 4 mmol/l. Toen zij op
dezelfde omloop een echte wedstrijd reden bleven zij vrij lang
boven hun zogeheten anaërobe drempel en haalden lactaatwaarden
die gedurende relatief lange tijd opliepen tot boven de 8
mmol/l. Blijkbaar is men op het vlak van de sportfysiologie
nog niet aan het eind. Impliceert dit dat men binnen afzienbare
tijd bijvoorbeeld tijdritten over middellange afstand rijdt aan
60 i.p.v. aan 50 km per uur ? Het zou kunnen, want vergelijk
maar eens de prestaties van een superatleet zoals Eddy Merckx
van een aantal decennia geleden met deze van vandaag. En het zal
wel niet allemaal te maken hebben met beter fietsmateriaal …
|