|
KRACHT
TRAINING
Basisprincipes training
Als je aan fitnessinstructors en trainers vraagt
wat je moet doen om je doelen te halen dan is vaak het antwoord: trainen,
trainen én nog eens trainen. Het klinkt wat flauw maar het merendeel van
de tijd van een sportman of -vrouw gaat zitten in alleen maar trainen. Bij
Integrale trainingsvisie was je al verteld dat ook andere pijlers van
belang zijn, maar het begint toch allemaal met trainen. In de topsport is
het een soort regel dat je minimaal 10.000 uur in je sport moet steken,
voordat je de absolute top bereikt. Gelukkig hoef je niet zo lang te
wachten op je eerste resultaten, maar het is toch wel nuttig om eens stil
te staan bij de basisprincipes van training.
Wat is training?
Over wat training nu precies is bestaan verschillende definities. Een veel
gebruikte definitie van training is: 'Het regelmatig en systematisch
toedienen van, in omvang en intensiteit toenemende, belastingprikkels met
de bedoeling het prestatievermogen te laten stijgen'. Wat precies onder
prestatievermogen wordt verstaan zal afhankelijk zijn van de tak van
sport. In de fitness en bodybuilding wordt met prestatievermogen meestal
bedoeld: meer spiermassa, meer spierkracht, minder vetmassa, een betere
spierdefinitie, fitter, gezonder en een mooiere fysiek.
De trainingsleer maakt gebruik van inzichten uit verschillende
wetenschappen, zoals de fysiologie, anatomie, biochemie, endocrinologie,
psychologie en de diëtetiek. Een groot deel van de kennis over training
komt voort uit ervaringen vanuit de trainingspraktijk.
Homeostase en supercompensatie
Een principe dat in de trainingsleer wordt gebruikt is dat het menselijk
lichaam zich verzet tegen verstoring van de zgn. homeostase. Onder
homeostase wordt bedoeld: 'de neiging van een organisme tot handhaving van
een inwendig evenwicht'. De mens kan alleen maar goed functioneren als
allerlei zaken heel nauwkeurig worden geregeld. Een voorbeeld is de
lichaamstemperatuur. Deze moet constant 37 graden Celsius blijven om
normaal te kunnen leven. Bij stijging of daling van de
omgevingstemperatuur komt het lichaam in verzet om ervoor te zorgen dat de
lichaamstemperatuur niet of nauwelijks verandert.
Door middel van training wordt het lijf als het ware gepest. De
temperatuur loopt op, spieren verzuren, er wordt veel koolzuurgas (CO2)
geproduceerd, etc. Wanneer dat gebeurt zal na herstel het lichaam zich
gaan instellen op deze verstoringen. Dit instellen of aanpassen zijn
eigenlijk de trainingseffecten. Het verschijnsel dat het prestatievermogen
na volledig herstel van een trainingsbelasting tijdelijk op een hoger
niveau komt te liggen wordt supercompensatie genoemd.

Het principe van supercompensatie is voor het eerst wetenschappelijk
vastgesteld bij het stapelen van glycogeen. Koolhydraten (de belangrijkste
brandstof voor gewichttraining) worden als energiebron in de vorm van
glycogeen in spieren en lever opgeslagen. Door intensieve training worden
de glycogeenvoorraden (glycogeen is de opslagvorm van koolhydraten) van
spieren en lever zo sterk uitgeput, dat het lichaam, vooral vlak na de
training, een grotere gevoeligheid voor de opname van koolhydraten krijgt.
Door die grotere gevoeligheid zal bij voldoende aanvoer van koolhydraten
de glycogeenopslag niet alleen op peil worden gebracht, maar er wordt ook
een extra voorraadje aangelegd. Er wordt supergecompenseerd.
De basisprincipes
In de trainingsleer wordt onderscheid gemaakt in biologische wetmatigheden
of basisprincipes die hieronder toegelicht worden.
Individualiteit
Ieder mens is verschillend (behalve eeneiige tweelingen) en ieder
individu zou je als een uniek biologisch systeem kunnen beschouwen.
Dezelfde trainingsprikkel werkt voor de een toch iets anders als voor een
ander. De realiteit leert dat er makkelijke en moeilijke groeiers zijn, en
de laatste groep (ook wel 'hardgainers' genoemd) is veruit in de
meerderheid. Kopieer dus niet zomaar de training van de kampioenen of van
mensen met een andere lichaamsbouw en trainingservaring.
Overload
Het overlaadprincipe stelt dat een training zwaar genoeg moet zijn en
alleen effect heeft als er voldoende verstoring van de homeostase heeft
plaatsgevonden. Een nader onderscheid wordt gemaakt in belasting ('load')
nodig voor trainingseffecten, voor behoud van de effecten, voor herstel en
belasting die kan leiden tot overbelasting.
Specificiteit
Training is altijd specifiek. Je verbetert datgene wat je traint. Als je
krachttraining alleen met je armen doet worden je benen niet sterker. Doe
je aan rustige cardiotraining dan neemt de explosiviteit niet toe. Er
dient dus rekening te worden gehouden met welke tak van sport je beoefent.
Zo moet een bodybuilder niet trainen als een powerlifter en vice versa.
Bij bodybuilding gaat het om het maximaliseren van de spiermassa met
behoud van symmetrie en proportionaliteit en het minimaliseren van het
lichaamsvetpercentage. Bij powerliften gaat het uiteraard om het op
correcte wijze heffen van zoveel mogelijk kilo's bij de onderdelen:
kniebuigen, bankdrukken en deadliften. Circuittraining - waarbij men in
hoog tempo een bepaald oefeningenparcours afwerkt - heeft het doel om het
spieruithoudingsvermogen te verbeteren. Wie gewichttraining wil gebruiken
als ondersteuning voor een bepaalde tak van sport, bijvoorbeeld bij het
schaatsen, moet de gewichttraining geheel ondergeschikt maken aan en
afstemmen op de sport in kwestie.
Reversibiliteit
Wat je niet onderhoud gaat achteruit. 'Use it or lose it'. Als je
onvoldoende trainingsprikkels geeft dan zullen de trainingseffecten
achteruit gaan. Dit is goed te merken na een blessure of een luie
vakantie. Bij krachttraining begint het trainingseffect na een paar dagen
te verdwijnen. Gedurende die periode herstelt het lichaam zich en bouwt
het een extra hoeveelheid spierweefsel op om zich voor te bereiden op de
volgende trainingsaanslag (zie supercompensatie). Als er geen training
volgt, dan wordt die extra hoeveelheid weer even vrolijk afgebroken. Wel
lijkt er een zeker 'spiergeheugen' te bestaan, die maakt dat we na een
‘time off‘ van bijvoorbeeld een paar maanden bij hervatting van de
training betrekkelijk snel de verloren massa weer aanzetten; uiteraard
mits training, voeding, herstel en motivatie in evenwicht zijn.
Afgeleide principes
Naast de basisprincipes bestaat er een aantal afgeleide principes ook wel
toepassingsprincipes genoemd. Hieronder worden ze kort aangestipt.
Continuïteit
Om te voorkomen dat je prestatieniveau terugvalt dienen alle
belangrijke componenten regelmatig bijgehouden of zelfs verbeterd te
worden.
Verminderde meeropbrengst
In het begin neemt het trainingseffect snel toe. Naarmate je beter wordt
zal het steeds moeilijker zijn om in hetzelfde tempo jezelf te verbeteren.
Je moet heel veel trainen om zelfs nog maar kleine stapjes vooruit te
komen. Echte toppers trainen enorm veel alleen maar om hun topniveau vast
te houden.
Progressiviteit
Als de trainingsprikkel steeds hetzelfde is zal je eerst wat vooruit
gaan maar daarna blijf je op een gelijk niveau. Kortom, de belasting dient
geleidelijk (progressief) opgeschroefd te worden.
Variatie
'Verandering van spijs doet eten'. Dit principe heeft betrekking op
verschillende aspecten. Allereerst moet er variatie zijn in omvang en
intensiteit van je training. Zware en lichte dagen moeten elkaar
afwisselen. Ook dient de aandacht afwisselend gelegd te worden op
verschillende prestatierelevante eigenschappen. Niet alleen uit
fysiologisch oogpunt is afwisseling belangrijk maar vooral uit
psychologisch oogpunt.
Cyclische organisatie
Continuïteit en variatie zijn enigszins in strijd met elkaar en
vragen om een compromis. Het compromis bestaat uit het cyclisch
organiseren van het trainingsproces: het in blokken van meerdere weken
afwisselend belasten van de verschillende prestatierelevante eigenschappen
(variatie), waarbij ervoor gezorgd wordt dat iedere eigenschap regelmatig
aan bod komt (continuïteit).
|