WIELRENNEN - FIETSEN

Om de eigenlijke effecten van de trapfrequentie op de beenspiercellen te meten, hebben onderzoekers van de universiteiten van Wisconsin en Wyoming aan acht wielrenners gevraagd om een test af te leggen. De ervaren renners moesten gedurende 30 minuten fietsen aan 2 verschillende trapfrequenties aan 85% van hun VO2 max (= de maximale hoeveelheid zuurstof die op één moment wordt opgenomen).

In één geval moesten de renners aan een trapfrequentie van 50 fietsen en in het andere geval 30' aan een frequentie van 100 omwentelingen per minuut. Tijdens de twee verschillende testen moesten ze aan identiek dezelfde snelheid fietsen. Het onderzoek wees uit dat zowel de zuurstofopname, de hartslag en de ademhalingsfrequentie, het maximale vermogen en het melkzuurgehalte in de twee proeven vrijwel identiek waren.

Maar bij het fietsen aan een trage frequentie met een zwaardere versnelling bleken de atleten meer koolhydraten te verbranden in hun spieren dan tijdens het fietsen met een kleine versnelling aan een hoger toerental. De grotere glycogeenafbraak bij het gebruik van de grotere versnelling was enkel het geval in de snelle spiervezels en niet in de trage spiervezels. De trage spiervezels verloren ongeveer evenveel glycogeen (koolhydraten in de spieren) bij de verschillende trapfrequenties. Maar de snelle spiervezels verloren na dertig minuten 50% van hun glycogeenhoeveelheid aan 50 tpm, terwijl ze bij 100 tpm slechts 33% glycogeen verbrandden. Het hoge verlies van glycogeen in snelle spiervezels toont waarschijnlijk aan waarom fietsen aan een traag toerental minder effeiciënt is dan fietsen aan een toerental van meer dan 90.

Naarmate de trage spiervezels meer glycogeen verbranden, worden ze minder krachtig zodat meer spiercellen moeten aangewend worden om aan dezelfde snelheid te blijven rijden. De activering van meer spiercellen leidt bij een groter aantal kilometers tot een groter zuurstofverbruik en zo tot een groter energieverbruik.
Op het eerste zicht lijkt het misschien tegenstrijdig dat traag pedalleren leidt tot meer energieverbruik, maar bij nader inzien is het toch wel logisch. Trage omwentelingen gaan samen met het gebruik van een zwaardere versnelling en zo gebruik je ook meer kracht om aan eenzelfde snelheid te kunnen blijven fietsen. Snelle omwentelingen gaan samen met een lage versnelling en met minder zware spiercontracties. Omdat snelle spiervezels sterker zijn dan trage spiervezels gaan de snelle spiervezels sneller in actei schieten bij trage omwentelingen omdat er een grotere spierkracht moet gebruikt worden.

Aan de andere kant is fietsen aan een hoog toerental niet te zwaar voor de trage spiervezels. Trage spiervezels kunnen 80 tot 100 keer samentrekken per minuut zodat ze gemakkelijk overweg kan met de kracht die nodig is om met een kleine versnelling te fietsen.

Een andere tegenstrijdigheid in het onderzoek lijkt misschien dat het sneller pedalleren leidt tot een verhoogde vetafbraak, terwijl het afbreken van vet vaak samengaat met lage inspanningen. Eigenlijk is dit ook logisch: de hogere vetafbraak gebeurt omdat de trage  spiervezels de spieren samentrekken met een zo laag mogelijk krachtgebruik. Trage spiervezels zijn veel betere vetverbranders dan de snelle vezels.

Tijdens training en wedstrijd moeten de renners zowel bij beklimmingen als op de vlakke weg een hoge trapfrequentie gebruiken. Voor niet geoefende atleten betekent dit een torental van 80 à 85, maar voor de getrainde renners een trapfrequentie van ronde de 100. Op trapfrequentie kan getraind worden. In het begin kost het heel veel kracht en energie, maar naarmate de renner het onder de knie heeft, wint hij er enkel maar kracht en energie door zijn glycogeenvoorraad in de spieren te sparen.